Nu het reguliere seizoen definitief naar een ander universum is getrapt, droom ik alleen nog maar van het WK. Mijn liefde voor een groot voetbaltoernooi gaat best ver. En dat is volkomen terecht. Vind ik. Laat het me jullie uitleggen.
De magie begon voor mij eigenlijk bij het wereldkampioenschap van 1990. Als 8-jarig snotjochie spaarde een vriendje van me voetbalplaatjes. Voor mij was Panini wat voor andere kinderen G.I. Joe was. In het boek kon je alle spelers van het WK sparen. Zo was ik bijvoorbeeld fan van namen als Walter Zenga, Karlheinz Riedle en Graeme Rutjes. Wie herinnert zich nog Saudi-Arabië en Kameroen? Met twee koppen per plaatje. In de breedte! more…

Ik kom de sportkantine binnen door een krakende deur. In het halletje staan mannen met felgekleurde, te korte broekjes rare pasjes te maken. Op hun shirts de namen van loopjes waar, ik vermoed, eerder aan is meegedaan. Hun dunne armpjes zwaaien in het rond om warm te blijven. Als ik de barruimte binnen kom ruik ik direct een geur van modder, zweet en aangebrande kroketten. Achterin zitten aan wankele tafeltjes twee dames die zo door zouden kunnen gaan voor mijn tantes. Er zijn verkreukelde papiertjes vastgeplakt aan de tafels. Ik stel me zo voor dat hun slimme neefje die de avond ervoor heeft voorzien van tekst. Omdat hij ‘alles’ van computers weet.