“Hoeveelste ben ik?” Al rennend in de tuin van het VUmc-ziekenhuis in Amsterdam vraag ik het een vriendelijke vrijwilligster die aan de kant van de weg staat. De vraag komt niet zomaar uit het niets; het gaat goed. Dan zegt de wat grijzende vrouw, voor de gelegenheid gehuld in een geel hesje: “je bent eerste!”
Het is de tweede keer dat ik mee doe aan de gebouwenloop: twee rondjes van vijf kilometer door, over, onder en op het Amsterdamse hospitaal. Nu ben nooit een brekebeen geweest en kennen ze me ook bij de spoedeisende hulp niet. Toch kwam ik vroeger wel eens in het ziekenhuis. Voor vader, opa of ander familielid. Ik hield er niet zo van. Het liefst wilde ik door de gangen rennen. Maar ja, het mocht niet van mama. En ik kon zomaar achter een infuus blijven hangen.
Mijn dromen ging verder dan stoeien in lange gangen. Ik hield ook van winnen. De beste zijn van je vriendjes. Tijdens voetballen, gymles en knikkeren. Maar ook thuis in een potje Monopoly of dammen. In een hardloopwedstrijd is het in zeven jaar echter nog niet gelukt.
Ik schrik een beetje van de uitspraak van de vrouw. Betekent dit nu dat ik echt op de eerste plaats ren? De eerste vijf kilometer zag ik nog voldoende snelle mannen om me heen. Deze staken na de eerste ronde allemaal richting de finish, ik mocht nog een rondje. En toen liep ik dus opeens alleen. De vrouw die wel wat op mijn oma lijkt zegt het toch echt. Ik besluit mijn gedachten aan de kant te zetten en gewoon te doen waar ik goed in ben: afzien.
Continue reading →