Hardlopen is de mooiste sport die er is. Ongenadig hard genieten van elke afgelegde pas. Trainen tot je lichaam tegensputtert. En wedstrijd na wedstrijd dichter bij Haile komen. Er zijn echter – ook bij de ‘ik draag een iets te korte broek’-lopers –altijd momenten dat de Ikea-zitbank het wint van het geveterde schoeisel. Je eigen discipline deelt je een knock-out uit, nog voordat de wedstrijd überhaupt is begonnen. Slappe zak.
Kwijnend in zelfmedelijden en met de M&M-kruimels op je borst. Kijkend naar een vergeten film met Mel Gibson. Is dat dan wat je wilt? Is dat wat je verdient? Ze zouden je zonder eten naar bed moeten sturen. De verwarming uit, zelfs al is het midden in de winter. En de hele nacht die vier medewerkers van de Plus-reclame naast je bed. Schreeuwend en toeterend in je oren.



Ineenstorting. Bam. Daar lig ik. Net na de finishstreep val ik op het koude rode tartan. Een diep gehijg. Hoe lang ik lig? Een paar seconden misschien. Of anderhalve minuut. Geen idee, ik heb het nodig.
“Hoeveelste ben ik?” Al rennend in de tuin van het VUmc-ziekenhuis in Amsterdam vraag ik het een vriendelijke vrijwilligster die aan de kant van de weg staat. De vraag komt niet zomaar uit het niets; het gaat goed. Dan zegt de wat grijzende vrouw, voor de gelegenheid gehuld in een geel hesje: “je bent eerste!”